Wieltjes met satéprikkers


Hij is blauw. Blauw, met kleine grijze wielen, en zo’n soort zwart plastic stoeltje dat aan alle kanten met je mee wiebelt. Voorzichtig ga ik erin zitten, proberend om niet met mijn benen verstrikt te raken in het gedeelte waar je voeten moeten komen te staan. Ondanks mijn scepsis moet ik toch wel toegeven dat het goed zit. Automatisch gaan mijn handen naar de zijkanten, zoekend naar de grote wielen, die deze rijdende stoel zouden moeten voorbewegen, maar ik voel niks. Korte inspectie wijst uit dat mijn exemplaar een “ouderenexemplaar” is, bedoelt om in totale afhankelijkheid te worden geduwd. 

Het is niet zo dat ik nooit in een rolstoel heb gezeten, of er een hekel aan heb. Nee, integendeel, er was een periode van mijn leven waarin ik me schaamde om als een van de weinigen normaal te kunnen lopen, en ‘slechts’ in de rolstoel sprong voor een spelletje rolstoelbasketbal. Waar ik vervolgens redelijk slecht in was, simpelweg omdat ik zo’n ding niet gewend was, en nogal moeite had met rollen en gooien tegelijk.

Nu zit ik voor het eerst noodgedwongen in een rolstoel, terwijl de rest loopt. Een omgekeerde dejavu, die pijnlijke herinneringen naar boven haalt. Ik lach, ik doe alsof ik het niet erg vind, maar diep van binnen zit ik te balen dat ik niet meer in staat ben om een gezellig dagje uit vol te kunnen houden. De ene kant van me sputtert dat ik me niet zo moet aanstellen, en blij mag zijn dat ik op deze manier nog zo’n dag vol kan houden. Mijn andere kant sputtert terug met onrealistische, avge argumenten.


Vooruit, daar gaan we. Mijn moeder erachter, een beetje onwennig zoekend hoe dat ding precies werkt. Na een eerste racerondje lukt het redelijk en besluiten we ons in de oneindige stroom mensen te begeven. Dat is een wat minder groot succes, aangezien de gemiddelde mens er niet over peinst om aan de kant te gaan voor iets dat zo groot en breed is als een rolstoel. Nee, natuurlijk blijf je gewoon midden in het gangpad staan kletsen, zodat de rolstoel er aan beide kanten net niet doorkan. Heel logisch, toch?
En hobbels zijn ook zeer interessant. Je kunt ze met een vaart nemen. En weer terugstuiteren. Je kunt proberen om de voorwielen omhoog te houden. Om dan weer teruggebonkt worden. Je kunt proberen om er heel langzaam overheen te gaan, al mijn moeders duwkracht inzettend, en mijn voeten als rem. Om vervolgens weer terug te glijden.
Dan zit er niks anders op. Je stapt vol elegantie en souplesse uit je rolstoel. Om vervolgens dubbel te liggen bij het gezicht van die oude man voor je, waarbij zijn ogen er bijna uit lijken te rollen van verbazing.

Meisjes in een rolstoel horen niet op te staan.

Minder leuk zijn de blikken van mensen, die je meewarig aan zitten te kijken. Altijd heb ik gewild dat ik een ziekte had die mensen tenminste konden zien, en ironisch genoeg ben ik er nu achter gekomen dat ook dát helemaal niet beter is. En zo’n rolstoel is toch wel een gevaarte. Je neemt zo de oppervlakte van een halve kraam in beslag, waar potentiële kopers niet omheen kunnen lopen. Proberen ze wel, om vervolgens een handvat in hun achterste te krijgen. Lijkt me pijnlijk. Hmmm… dat doet me eraan denken… misschien is het een idee om via prikkers op de voorkant van de stoel de mensen aan de kant te krijgen…? ik ga er meteen patent op aanvragen! Wedden dat heel rolstoelrijdend Nederland mij dankbaar zal zijn…

Wielrennend door het chronisch zieke leven

Het is de week van de chronisch zieken. Geloof ik tenminste, het kan ook volgende week zijn. In ieder geval, mijn mailbox zit vol met allerlei activiteiten die speciaal worden georganiseerd voor chronisch zieken. Zo kun je chatten met een bekend persoon, en is er een symposium georganiseerd door de patiëntenvereniging. Echt activiteiten waar je hart sneller van gaat kloppen…  

Ach, ze bedoelen het goed. Evenals dat foldertje dat afgelopen week door de deur kwam, met een vrolijk kijkende wielrenner op de voorkant. Yeah, right. Ik mag al blij zijn als ik het kleine stukje, dat ik van de bus naar school moet lopen, puffend op z’n elfendertigst tot een goed einde weet te brengen. Maar nee, de gemiddelde chronisch zieke “overwint” zijn ziekte en loopt de marathon. Of, zou dat moeten doen. Het is wat de maatschappij van je verwacht. Mensen die de hele dag op de bank hangen en een beetje tv kijken, zijn lui en doen niets om beter te worden. Ze vinden het vast wel lekker, om zo de hele dag alleen maar leuke dingen doen. Ze vinden het nooit saai, voelen zich er niet rot over, willen absoluut geen doel in hun leven, en zijn al helemaal niet eenzaam. Laat ze de energie die ze hebben, gebruiken om iets op te bouwen, om iets te doen! ’s Ochtends vroeg gaat de wekker om half 9. Veels te vroeg voor weer een nutteloze dag. Je moppert, komt eruit, en zorgt dat alle pillen op de goede manier in je lijf worden opgenomen. Vervolgens zit je wat te kijken, niet wetend hoe je vandaag de dag weer moet doorbrengen, terwijl je het liefst door de hele dag heen zou slapen, of de hele maand eigenlijk wel, misschien dat je dan eens uitgeslapen bent. Zittend achter je computer surf je eens rond, misschien dat er iemand gereageerd heeft op een forum. En als je alles hebt gelezen, blijf je maar achter die computer zitten, voor je uit kijkend naar het msn-scherm, in de hoop dat er iemand komt die met je wilt praten. Je wilt wel iets gaan doen, maar je vindt de energie niet om dat uit te voeren, als je al denkt hoeveel energie het kost om alleen op te staan, vergaat je de moed ter plekke. En zo is er weer een nutteloze dag voorbij, zonder ook maar iets gedaan te hebben, zonder ook maar een mini-doel gehaald te hebben, en al je energie verbruikt te hebben aan de gewone dagelijkse dingen, die anderen zonder nadenken doen. Morgen weer een dag. Misschien dat ik dan eens een stukje kan gaan fietsen…